woensdag 14 december 2011

Familiegeschiedenis : Slavernijverleden 2

Slaven in de familie : slavenhouders

In een eerdere blog  heb ik iets in het kort geschreven over mijn voorouders en de plantages waar ze vandaan kwamen of die ze in eigendom hadden. Ik ga hier nu wat dieper in op de herkomst van mijn voorouders die tot 1863 slavenhouders waren, namelijk William Elder en zijn nazaten, evenals zijn schoondochter Elisabeth van Bruijning.
Begonnen als landarbeider wist William Elder zich op te werken tot directeur van de plantages Agenoria en Kent.

plantage directeur met twee slaven
Surinaamsche schetsen en typen, 1850
Collectie Ver Huell
In 1825 wordt William Elder in de Surinaamsche Almanak genoemd als (mede)-eigenaar en directeur van de suikerplantage Concordia in het district Saramacca. Enkele jaren later werd er overgeschakeld naar de verbouw van koffie.
Het aantal slaven op Concordia liep in de loop der jaren op van 37 slaven in 1836 tot 95 slaven in 1863

Manumissies door de Familie Elder 1838-1861

Tussen 1838-1862  werden 10 slaven en slavinnen gemanimutteerd, dat wil zeggen vrijgelaten door de diverse leden van de familie Elder. Tussen 1832-1863 werd in Suriname een register bijgehouden van vrijgelaten slaven, het manumissieregister. De namen van de vrijlaters en vrijgelatenen kan men vinden bij het Nationaal Archief.

William Elder stierf in 1844, zijn weduwe Jenny van Elder, een voormalige slavin werd eigenaresse van de plantage en liet deze bij testament na aan haar 8 kinderen. Jenny stierf in 1846.


bron KB



Verzoek van William Elder in 1835 om overplaatsing van slaven van plantage naar zijn huishouden.

De slaven werden onttrokken aan het kapitaal van de plantage, en eventuele schuldeisers en aandeelhouders konden bezwaar maken tegen de waardevermindering van de plantage














Afschaffing van de slavernij  in 1863

Op de website van het Nationaal Archief in Den Haag staan de gegevens over slaven en eigenaren, die zijn verzameld in verband met de afschaffing van de slavernij, de emancipatie van 1863. Je vind er de namen van de slaven, hun leeftijd, beroep en godsdienst, soms ook gezondheidstoestand en op welke plantage ze verbleven, of dat ze in Paramaribo woonden. Van de eigenaren vind je de woonplaats en het bedrag dat ze voor de vrijgemaakte (gezonde) slaven ontvingen.
De eigenaren van de slaven kregen per slaaf 300 gulden vergoeding. De eigenaren in Suriname en op de Antillen werden gecompenseerd met gelden verdiend aan het Cultuurstelsel  in Oost-Indië.Nederland schafte de slavernij al eerder in 1860 af in Oost-Indië. Alleen staat het Nederlandse slavernijverleden in de Oost niet zo in de belangstelling.
Er werd fl 24.225,00 over de plantage Concordia uitgekeerd aan de familie Elder, die elk 1/8e deel kregen.
De slaven en eigenaren van de plantage Concordia in de emancipatiedatabase van het Nationaal Archief beschreven onder de borderelnummers PL043  en PL044

Bron















Alle slaven op Concordia behoorden tot de het kerkgenootschap van de Evangelische Broeder Gemeente
De slaven kunnen worden onderverdeeld in:
15 mannelijke veldarbeiders in leeftijd variërend van 22-67 jaar.
21 vrouwelijke veldarbeiders in leeftijd variërend van 21-50 jaar.
8 timmermannen in leeftijd variërend van 19-45 jaar.
2 huismeiden en 1 vrouw bij huis in leeftijd variërend van 30-42  jaar.
1 kok 39 jaar
1 wasmeid 35 jaar
1e officier 34 jaar
2e officier 39 jaar
1 veewachter 36 jaar (bleek lepra te hebben, over hem werd geen vergoeding betaald)
1 creolenoppaster (paste op de kinderen van de slavinnen die aan het werk waren) 50 jaar
5 mannelijke slaven zonder beroep van respectievelijk 54, 62, 72 en 82 jaar
6 kinderen (jongens en meisjes) werkend op steen (metselwerk) tussen 9-12 jaar.
10 kinderen spelend tussen 2-9 jaar
5 zuigelingen in leeftijd variërend van 3 maanden tot 1 jaar.

In Paramaribo verbleven bij de daar wonende leden van de familie Elder in totaal 16 huisslaven en –slavinnen afkomstig van Concordia. De meeste waren tussen de 4 en 16 jaar, en 3 waren volwassen (22-32 jaar)

Volgens de gegevens  waren er 2 mulatten onder de slaven. Dat wil zeggen dat ze een blanke vader hebben gehad. Het is de vraag of ze door een Elder waren verwekt, want de Elders waren zelf ook mulatten met een blanke vader en zwarte moeder.
Diverse leden van de familie Elder bezaten behalve slaven op Concordia ook nog andere slaven op andere plantages.   
Mijn directie voorvader William Elder junior was voor 1863 overleden.
De 3 kinderen van William Elder junior en Elisabeth van Bruijning waren mede-erfgenamen van Concordia voor 1/24e deel en kregen voor dat aandeel de vergoeding over de slaven uitgekeerd


Elisabeth van Bruijning eigenares van de Dankbaarheid in Saramacca
Elisabeth van Bruijning was de schoondochter van de oude William Elder. Haar schoonzoon W.H.K. Nielo (mijn betovergrootvader) was directeur van deze plantage
De slaven van Elisabeth Bruijning staan in de emancipatiedatabase beschreven onder borderelnummers PE202 en PL053

Slavenmacht op plantage de Dankbaarheid in Saramacca  (niet te verwarren met de plantage Dageraad en Dankbaarheid aan de Boven Cottica)

2 mannelijke veldarbeiders van 32 en 55 jaar
3 mannelijke delvers tussen 38 en 41 jaar
1 vrouwelijke delver van 42 jaar
(3 delvers waren gehuurd van een andere plantage)
1 mannelijke bediende 22 jaar
1 vrouwelijke bediende 29 jaar
1 meisje van 3 jaar.

Delvers moesten waarschijnlijk de sloten en kanalen graven die de plantages moesten afwateren

In Paramaribo verbleven (waarschijnlijk in de huishouding van Elisabeth van Bruijning), maar afkomstig van de plantage de Dankbaarheid:
1 slavin zonder beroep van 56 jaar
1 vrouwelijke bediende van 30 jaar met haar dochter van 5 jaar en zoontje (leeftijd niet ingevuld)

Familiegeschiedenis : Slavernijverleden 1

Slaven in de familie ; de slaven

In een eerdere blog heb ik iets in het kort geschreven over mijn voorouders en de plantages waar ze vandaan kwamen of die ze in eigendom hadden.  Ik ga hier nu wat dieper in op de herkomst van mijn voorouders die tot 1863 slaven waren. Voor 1863 waren geen vaders bekend, de kinderen werden via de lijn van de moeder, en terug via grootmoeder en overgrootmoeder geregistreerd.

Op de website van het Nationaal Archief in Den Haag staan de gegevens over slaven en eigenaren, die zijn verzameld ivm de emancipatie van 1863. Je vind er de namen van de slaven, hun leeftijd, beroep en godsdienst, soms ook gezondheidstoestand en op welke plantage ze verbleven, of dat ze in Paramaribo woonden. Van de eigenaren vind je de woonplaats en het bedrag dat ze voor de vrijgemaakte slaven ontvingen. De eigenaren in Suriname en op de Antillen werden gecompenseerd met gelden verdiend aan het Cultuurstelsel  in Oost-Indië
Nederland schafte de slavernij al eerder in 1860 af in Oost-Indië. Alleen staat het Nederlandse slavernijverleden in de Oost niet zo in de belangstelling. 
In Surinaamse en Nederlandse kranten vóór 1863 wemelt het van de advertenties waarin slaven te koop worden aangeboden, evenals van die van plantages met de aantallen slaven. Ook in de Surinaamsche Almanakken staan lijsten van de plantages met de aantallen slaven.

1. Plantages Frederiksdorp/Alkmaar aan de Commewijne: hier verbleven mijn voorouders die de achternaam Resida kregen.
De koffieplantage Frederiksdorp aan de overzijde der rivier was van dezelfde eigenaren als de suikerplantage Alkmaar.

Bron KB
 


In 1841 verzoeken de eigenaren van Frederiksdorp om alle slaven over te brengen naar de suikerplantage Alkmaar.

De slaven zullen hier niet echt blij mee zijn geweest, want het werk op de suikerplantages was zwaarder en gevaarlijker dan op de koffieplantages.

De suikerplantage Alkmaar wordt enkele jaren later uitgebreid in een brief beschreven






















De Resida’s van wie ik afstam zijn:
1. Monkie Margaretha Resida geboren plantage Frederiksdorp * 1808
2. Margaretha * 1828, in 1863 45 jaar, (zou dan in 1818 geboren moeten zijn) Afkomstig van Plantage Alkmaar, dochter van Monkie Margaretha
3. Haar zoon Jonas Resida (mijn betovergrootvader) * ca. 1843/1845- + Paramaribo 18 maart 1905
gehuwd beneden Cottica 14 september 1872 met Gerhardina Glimmerveen en erkent bij het huwelijk haar in 1862 geboren zoon James Glimmerveen, die dan de naam Resida krijgt.

2. Plantage de Vier Kinderen in Para: Hier kregen  19 slaven kregen de achternaam Marengo Mijn  overgrootmoeder Frederika Marengo is waarschijnlijk een nakomeling van een van de Marengo’s. Het geslacht van de Marengo’s gaat terug tot 1815.

Uit de geschiedenis van de  “Plantage de Vier Kinderen”
Er heerste grote onrust op de plantage Vier Kinderen in 1857 en het leger werd er op afgestuurd om de orde te herstellen.
Nadat de slavernij in 1863 was afgeschaft en het staats toezicht in 1873 opgeheven, verkocht de plantage-eigenaar zijn plantage op de veiling, waarbij de ex-slaven die er bleven als eerste in aanmerking kwamen om die te kopen. De plantage Vier Kinderen is op deze wijze gekocht door de voormalige slaven van Vier Kinderen. Volgens de Orale historie is de plantage opgekocht door 10 families. Bij een grote brand in de hoofdstad Paramaribo rond de eeuwwisseling zijn vermoedelijk ondermeer de oorspronkelijke eigendomspapieren in vlammen op gegaan. Op het eigenarenmonument van Vierkinderen worden ze herdacht.
 (helaas is de website van het  Nationaal Archief Suriname al meer dan een jaar uit de lucht)

2.20.37.05 (toegang nationaal Archief Den Haag)
VOORLOPIGE LIJST VAN HET ARCHIEF VAN DE PLANTAGE "LA
PROSPERITE" IN HET DISTRICT BOVEN-PARA (SURINAME).
3 Borderel van hypothecaire inschrijving ten laste van eigenaars van de
houtgrond "De vier kinderen" en de grond Koningsbergen in het district
Boven-Para. Fragment.
1880.
De Marengo uit deze akte is Alphonse Marengo (was in 1863 9 jaar oud)
James Resida erkent en geeft zijn achternaam op 4 januari 1905 aan Anton Frederik, geboren Paramaribo 30 augustus 1901 (1900?) uit Frederika Marengo. Helaas is nog niet bekend van welke Marengo uit 1863 Frederika afstamt


slavenwoningen op een plantage
Surinaamsche schetsen en typen, 1850
Collectie Ver Huell
 Plantage Halle in Saxen in Perica:  Op deze plantage woonden mijn voorouders die de achternaam Glimmerveen kregen.
1. Glimmerveen, Troebelina (slavennaam)
Voornaam: Theresia, 45 jaar
Beroep: Waschmeid
Godsdienst: EBG, doopnaam Theresia
Moeder van Gerhardina Glimmerveen.

2.Glimmerveen, Monkie (Slavennaam)
Voornaam: Gerhardina, 20 jaar
Beroep: Veldmeid
Dochter van Theresia Glimmerveen; blijkens borderel leeftijd 17 jaar
Gerhardina was mijn betovergrootmoeder
3. Glimmerveen, James (Slavennaam):
Voornaam: James, 1 jaar
Zoon van Gerhardina Glimmerveen; geboren 26-05-1862
 Beneden Cottica - + 16 augustus 1923 Boven Suriname. James (Glimmerveen, vanaf 1872 James Resida) is mijn overgrootvader.

zondag 11 december 2011

Familiegeschiedenis: mijn naam is Haas (of toch niet?)

Wie was Elisabeth Veronica de Haas of Elisabeth van Bruijning (1808-1867)?

In maart 1808 werd in Suriname een meisje geboren, dat later de moeder zou worden van mijn betovergrootmoeder Jacoba Charlotte Prudence Elder.
In 1829 wordt in het geboorteregister van Paramaribo, fol. 160  Maria Wilhelmina Geerlings ingeschreven. Haar moeder is Elisabeth Veronica de Haas. De vader is onbekend. 

In de overlijdensberichten in de Surinaamse kranten vinden we overlijdensberchten van kinderen van Elisabeth de Haas, respectievelijk Elisabeth Bruining: 
5 september1841: Elisabeth Jeannette, dochter van Elisabeth van Bruining, oud 3 jaar.
27 december 1841: William Alexander zoon van Elisabeth de Haas oud 7 dagen.
20 janauri 1842: een levenloos geboren zoon van Elisabeth de Haas

Een aantal jaren later vinden we Elisabeth Veronica de Haas ook weer terug als Elisabeth van Bruijning.
Op 30 november 1842  maken William Elder jr, van beroep timmerman woonde aan de Groote Dwarsstraat, meerderjarig bruidegom en Elisabeth van Bruijning zich vroeger ook geschreven hebben Elisabeth Veronica de Haas, buiten beroep wonende aan de Groote Dwarsstraat, ten deze uit hoofde harer onbedrevenheid in de Neder-duitsche taal geadsiseert door de gezworen vertaler in de Neger-Engelsche spraak [….] meerderjarige bruid.[…….] een akte van huwelijksvoorwaarden op voor het gerecht in Paramaribo.
Elisabeth  brengt 2000, - Nederlandsche guldens in, die door haar a.s. echtgenoot zijn ontvangen en onder zijn administratie genomen. De in het huwelijk ingebrachte goederen, gelden enz. zijn van gemeenschap uitgesloten. Haar aanstaande was een zoon van de plantage-eigenaar William Elder en Jenny van Elder.  Voor een analfabete die ook de Nederlandse taal niet beheerste was Elisabeth toch nog behoorlijk vermogend.



Bron KB

Bron KB

William Elder ook getekend hebbende als William Elder jr. en Elisabeth van Bruijning maakten op 15 mei 1845 hun testament op, waarin zij hun 3 kinderen als erfgenamen aanwezen, waaronder mijn betovergrootmoeder Jacoba Charlotte Prudence (1836-1898). Jacoba Charlotte Prudence, geboren in 1836 wordt als eerste genoemd en is waarschijnlijk de oudste (Zij huwt in 1860 met W.H.K. Nielo)

Elisabeth en de familie de Haas

Antje Gratia (slavennaam Antje) de Haas, geboren in 1818 en  van beroep huisbediende en haar 5 jarig dochtertje Elisabeth Johanna Frederica (slavennaam Elisabeth Johanna) werden in 1852 vrijgelaten door M. de Haas en Elisabeth van Bruijning (voorheen Elisabeth Veronica de Haas), namens haar treedt haar echtgenoot William Elder jr op.

Bron KB

In het eerder genoemde testament van het echtpaar Elder-Bruijning noemde Elisabeth ook haar zuster  Johanna Catharina de Haas als erfgenaam.Verder worden in de akte slaaf Charles en slavin Antje (mogelijk de eerder genoemde Antje Gratia de Haas ovl. 22 mei 1873 oud 55 jaar) genoemd. (Notarieel Archief Suriname, inv.nr. 72
1845 2e kwartaal 15 mei 1845 no. 53, scan 199-200)

Wat is de familierelatie tussen M. de Haas, Elisabeth en de vrijgelatenen die ook de achternaam de Haas krijgen?
 
William Elder overlijdt op 10 mei 1854 en zijn weduwe treedt op als voogdes van de kinderen, en maakt aanspraak ten behoeve van haar kinderen op het achtste aandeel van wijlen haar echtgenoot in de plantage Concordia te Saramacca.
De rekening van de boedel wordt in 1857 afgesloten en levert een batig saldo van 1534 gulden en 59 en een halve cent.
In 1863 woonde Elisabeth met haar twee jongere kinderen in de Pontewerfstraat. Ze is dan inmiddels eigenares van de plantage de Dankbaarheid in Saramacca. 

Bron KB


Elisabeth stierf  op 17 maart 1867, oud 59 jaar en 9 dagen.

Bron KB


Er valt nog heel wat uit te zoeken over de achtergronden van de mysterieuze Elisabeth en haar verschillende achternamen.

woensdag 7 december 2011

Kerstboomfeest te Arnhem in 1859

Het kersboom-feest te Arnhem

Welk een gejoel daar buiten bij het Velperplein! Overal troepjes kinderen die het schrikkelijk druk hebben – overal moeders en kindermeiden met bolwangige dreumissen, die op trompetjes toeten, of prenten, ten onderste boven gehouden, bewonderen, of de geheimen eener poppen-kleeding zoeken te doorgronden.


Collectie Ver Huell


Het gedrang wordt nog digter.
Daar ontdek ik den oorsprong van dien kinderstroom.
Uit de zaal van Musis Sacrum komt de vrolijk juichend troep.
Laat ons eens even gaan kijken wat daar binnen te koop is.
Te koop, niets – maar te krijgen genoeg! Ziet! Twee reusachtige kesrboomen, beladen met schatten – schatten allen bestemd voor die kleine wereld, die er omheen krioelt, tusschen mijn beenen doorkruipt, en kraait en lacht, en trommelt en fluit, en op harmonica’s blaast en op violen jingelt dat het haast is om dol te worden.


Om dol te worden althans, zoo me niet het geluk heeft van vader of broeder van eenig deel van dat genietend volkje te zijn.

En niettegenstaande dit dolprettige geraas, blijft een dozijn jonge dames, alle mooije, frissche Geldersche meisjes met onvermoeibare vlugheid, met oogen, gloeijende van geluk over het geluk, dat zij rondom zich mogen verspreiden, heen en weer trippelen van de kist, waarin de prijzen liggen, naar de leuning, waarover die tegen de loten worden ingeruild.
Collectie Ver Huell

Voor ieder vriendelijk kindje, voor ieder beleefd moedertje hebben zij een vrolijk, aardig woordje ; voor elken lomperd of zanikert een greetigen kwinkslag of flinke terechtwijzing.
Waar is mijn landsman Cremer, om in goed, leesbaar Geldersch alle uitroepingen van naïve opgetogengheid en jolige tevredenheid terug te geven, die ik om en onder mij, met alle mogelijke stemgeluiden hoor uitpiepen en uitbrommen.
Want het zijn niet alleen kinderen die men er ziet, maar ook deftige heerenknechts en gehoedde dienstmaagden, ook boerenlummels die als kleine jongens met hun prijzen ronddansen, en verjeugdigde grootvaders en goortmoeders, en oude militairen, die met hun grijze snorren over de gladde kindergezigtjes borselen.
En allen zijn gelukkig, gelukkig, gelukkig!. De zorgzame huismoeders met warme dassen, of polsjes, of poesjes – de kinderen met mooije, nuttige boekjes en potlooden, vaandels, prenten, ballen, kaarten, dozen, kokers, poppen, pennen en de hemel weet al wat niet meer.
Ook de arme weesjes zijn niet uitgesloten van dit vreugdevolle feest, en behoeven de hoofden niet treurig af te wenden van al het mooi’s zoo als de weesmeisjes op de vene diep gevoelde als meesterlijk behandelde schilderij, de Kermis van den nog zoo jeugdigen Burgers.
Neen allen zijn vrolijk, allen zijn tevreden, allen zijn gelukkig!

-------------------------------------------------

En na dien avond volvan drukte en genoegen, zal menige moeder haar lieveling de knietjes hebben doen buigen, om den zegen van den Vader in den hemel af te bidden voor de goede menschen, die de kindertjes van den arme niet vergaten – en menig paar ruwe en verweerde handen zal zich gevouwen hebben ok God te smeeken, de rampen van het gezin van de menschlievende rijke af te keeren, waardoor zowel het hardsteenen paleis als de kleinste woning der ellendigste achterbuurt kan getroffen worden!
Alexander V.H.
(Overgedrukt uit de Tijdspiegel 1859, Afl. 2)

dinsdag 6 december 2011

Slavernij in Suriname


Plantageslaven getekend door Theodore Bray, tussen 1841-1850

Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell
 Théodore Bray, geboren in België kwam in 1841 op 23 jarige leeftijd in Suriname. Zeer waarschijnlijk begon hij daar onder aan de ladder als blankofficier.  De blankofficier was belast met het directe toezicht op de slaven. Ook zijn zus vestigde zich in de kolonie, als vrouw van Jacob Isaäc Spiering. Na enkele jaren werd Bray mede-eigenaar van de cacao plantage Spieringshoek, een middelgrote onderneming, met zo'n 99 slaven, gelegen op de linkeroever van de Commewijne. In 1868  vertrok de rijk geworden Bray naar Nederland. In 1877 ging hij terug naar België, waar hij in 1887 overleed.  
Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell

Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell

Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell

Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell

In Suriname tekende Bray het plantageleven, dat hij van zeer nabij leerde kennen. Hij gaf de rauwe werkelijkheid van het slavenleven weer zonder het romantische waas van Benoit.
Men zal tevergeefs zoeken naar vrolijk lachende en zingende negerslaven. .
Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell




Surinaamse schetsen en typen, 1850
Coll. Ver Huell











Zeker:  Bray tekende geen lijfstraffen en wrede mishandelingen zoals Stedman.
De misère van de slavenbestaan gaf hij veel subtieler weer in de trieste en sombere gezichten van de slaven, met name die van de veldslaven.

Zo leuk was het slavenleven kennelijk niet, hoewel menigeen ons nog altijd wil doen geloven dat het best wel meeviel daar op die plantages.

zondag 4 december 2011

Familiegeschiedenis : geschiedenis is nooit af

James Resida en Hendrik Marius Simons nogmaals in de schijnwerpers.
Deze keer een hele korte blog. Aangezien er weer nieuwe bronnen beschikbaar zijn gekomen met informatie over mijn voorouders, heb ik de reeds eerder geschreven blogs over de goudzoeker James Resida en Hendrik Marius Simons aangevuld met de nieuwe gegevens.

woensdag 30 november 2011

Verjaagd uit het paradijs.

De familie Ver Huell bezat ooit in Rotterdam een paradijselijk plekje aan de Maas. De idylle kon echter geen stand houden tegen de opstomende modernisering in de gedaante van het stationsgebouw van de Rhijnspoorweg tussen Rotterdam en Utrecht
Alexander Ver Huell tekende deze tuin en had er nostaligische herinneringen aan.

Collectie Ver Huell


"Bull en Fanny. Tuin aan de Maas te Rotterdam, mei 1848”.
“Op deze plek staat thans het Rijnspoorstation 1870”




















Collectie Ver Huell

“Onze Koepel te Rotterdam aan de Maas [….] Thans staat daar het stationsgebouw van den Rhijnspoorweg.
De genoegelijkste uren in Rott.m bracht ik door op deze plek. Ik tekende en schreef er in de vacantiën een aantal mijner schetsen […..] Bij ondergaanden zon achter de stad rechts, of bij manenschijn was het gezigt daar over de rivier zeer schoon – in het westen schitterde de lieve avondster […]”

vrijdag 25 november 2011

Familiegeschiedenis: Oost-West, thuis toch het best in de West

Anton Frederik Resida
Vroeger in Suriname werd mij heel vaak gevraagd of de “onderwijzer Resida” mijn vader was. 
Mijn grootvader was toen reeds tientallen jaren overleden, maar hij leefde nog steeds voort in de herinnering van veel mensen. Kennelijk heeft hij een diepe indruk nagelaten.
Anton Frederik Resida (1901-1948) was een zoon van James Resida (1862-1923)  en Frederika Marengo (1877 -?)
Zijn ouders verdienden de kost met werken in het bos, oa in de goudwinning.  Hun kinderen volgden hun schoolopleiding in een internaat van de EBG.  De broeders zagen wel wat in AF en hij mocht doorleren voor onderwijzer. Anton studeerde na zijn schoolopleiding tot ’s-avonds laat bij het licht van de olielamp.
In 1919 slaagde hij voor zijn eerste onderwijzersexamen

Bron KB
Hij woonde in 1921 nog bij zijn ouders aan de Zwartenhovenbrugstraat 234 Paramaribo
Anton Frederik huwde  in 1923 met. Reine Adèle Simons (1898-1985)
Hij werkte als onderwijzer aan de RK- St. Petrus School (1924-1925) en woonde in de Wanicastraat 24.
In 1926 volgde een aanstelling in Hamilton te Coronie. Zijn echtgenote R.A. Simons kreeg ook een aanstelling als onderwijzeres handwerken. In 1931 werd de school te Hamilton gesloten en werd Resida overgeplaatst naar Helena Christina. Tussen 1931-1935 werkte Resida als onderwijzer van bijstand aan de school voor beperkt onderwijs in  achtereenvolgens in Helena Christina, Nieuwe Grond, en Livorno.
Tussendoor haalde hij nog zijn akte tekenen.  In 1936 werd hij tijdelijk hoofd in Nieuwe Grond. Vervolgens werd Resida tijdelijk schoolhoofd te Uitkijk in het district Saramacca.

Bron KB


Bron KB
SS Rensselaer  in de haven van Paramaribo

Anton Frederik Resida (in het midden) in de winter van 1938-1939
In 1938 reisde Resida  met de Rensselaer.naar Nederland om zijn hoofdakte te halen.
Hij woonde tijdens zijn studie in Amsterdam in de 2e Helmerstraat 89 boven.
Resida behaalde zijn hoofdakte in juli 1939

Bron KB
en vertrok op 1 augustus 1939 weer naar Suriname.
De bootreis duurde gemiddeld 10 -14 dagen.


Tijdens zijn studie werd Resida gevraagd of hij in de Oost wilde werken. Het uitbreken van de WOII in september 1939 deed hem van het plan om met zijn gezin naar Oost-Indië te verhuizen afzien. Dan maar liever thuis in de West.
De SS Rensselaer werd in mei 1940 tot zinken gebracht door de Duitsers.

bron KB















De woning aan de Gravenstraat:








Het woonhuis van de onderwijzer Resida en zijn gezin aan de Gravenstraat Ik heb er vroeger vaak gelogeerd. Maar het balkon was al lang geleden afgebroken







Deze foto’s dateren uit 1991


Het huis bestaat niet meer.






Resida werd na terugkeer onderwijzer aan de Hendrikschool 
Hij gaf les in de vakken Nederlandse taal en geschiedenis.
Anton Frederik Resida zette zich ook op andere terreinen in voor de jeugd. Zo was hij in 1947 lid van de afd. Paramaribo van het N. Indisch Jeugdcentrum (Hilversum), dat ten doel had de kennis over de Nederlandse koloniën onder te jeugd te verbeteren.
In 1948 zat hij in het bestuur van Vereniging Algemene Speeltuinen (V.A.S)

Verder zette Resida zich ook actief in voor de verbetering van de positie van onderwijzers in Suriname. 

Bron KB


het 25 jarig huwelijk in 1948

In Suriname is er een school naar Anton Frederik Resida  genoemd.

Anton Resida School



dinsdag 22 november 2011

Dubbel Focus

Voor mensen die zowel bij- en verziend zijn hebben de brillenmakers tegenwoordig een heel scala aan: dubbel-focus', 'vario-focus', varifocale of varifocus, bifocale,  trifocale, en multifocale brillen ontwikkeld.

Maar hoe deed men dat vroeger? 

Collectie Ver Huell




Tweehonderd jaar geleden loste men dat op deze wijze op.
   































Het begon ruim 1000 jaar geleden met de  leessteen  (een Arabische uitvinding). Deze steen werd gemaakt van het lichtgekleurde glas beryl. Hier is het woord 'bril' van afgeleid. Een Italiaanse monnik ontwierp  in de late 13 eeuw een bril waarbij twee leesstenen werden gevat in een houten montuur.. Deze brillen met positieve lenzen, waren alleen geschikt voor verzienden.  leesbrillen dus. Brillen voor bijzienden kwamen  pas in de 15e eeuw op de markt. En de bij- en verziende moest het dus met twee brillen doen.

donderdag 17 november 2011

Mijn Familiegeschiedenis : grootvader Willem Bijl


Willem Bijl : Jonge Jaren

Willem Bijl (1904-1986) was de oudste zoon van Steffen Bijl en Theresia Wilhelmina Josephine Diergaarde.


Willem Bijl en zijn moeder in 1904

Willem als peuter





















De jonge Willem werd voetballer bij Ajax

Bij de Ajax-jeugd

Een schouderblessure maakte echter als snel een einde aan de voetballerij














Net als zijn vader en grootvader werd Willem timmerman, en hij werkte in het bouwbedrijf van zijn vader 

huwelijk in 1930
In 1930 trouwde Willem met Antje Scholten 

In de dertiger en veertiger jaren toen de bouw nagenoeg stil lag als gevolg van de crisis en de oorlog werkte hij bij de decorbouw in de Cinetone filmstudio’s aan de Duivendrechtse kade.















Mobilisatie  in 1939 en daarna

In  september 1939 werd Bijl opgeroepen voor de mobilisatie.  Hij zat bij de genie en moest mijnen leggen. Dit was niet zonder risico, want door een fabrieksfout in een van de mijnen werd een maat uit zijn ploeg opgeblazen.


moblisatie 1939-1940, rechts achter staat Willem Bijl

 
Onder de wapenen in 1939-1940

Willem Bijl en zijn makkers werden ingekwartierd in deze villa, die door het leger was gevorderd van de bewoners, een pas gehuwd jong echtpaar, zoals mijn grootvader vertelde.
Hier was Bijl met zijn kameraden ingekwartierd
Deze kaart verzond hij op 21 september 1939 aan zijn gezin in Amsterdam.
Tussen 10-15 mei 1940 was hij gelegerd aan de Lek bij Schoonhoven.
Na de capitulatie op 15 mei 1940 werkte hij weer bij de filmstudio's, die in 1941 werden overgenomen door de UFA.
Na  de bevrijding in 1945 kwam Willem Bijl  in dienst bij het Ministerie van Wederopbouw, eerst bij de oorlogsschade te Arnhem en in 1953 in Zeeland na de watersnoodramp, en daarna vervolgens tot aan zijn pensioen bij de Rijksgebouwendienst.